Reglement Beroepsethiek
Reglement Beroepsethiek NOREA
Door de Algemene Vergadering d.d. 30 maart 1992 van de Nederlandse Orde van Register EDP-Auditors (hierna te noemen: de Orde) is - op grond van artikel 13 van de Statuten van de Orde - ingesteld een Raad voor Beroepsethiek (hierna te noemen: de Raad) waaromtrent het volgende is geregeld.
Functie
Artikel 1.
Het bevorderen van een goede en bij de tijd aangepaste regelgeving aangaande het gedrag en de beroepsuitoefening van de leden van de Orde, alsmede het bevorderen van een adequate interpretatie en gelijkvormige toepassing van de regels door de leden.
Taak
Artikel 2.
De Raad is belast met de volgende taken:
| a. |
het inzake de Gedragscode, de daarmee samenhangende Reglementen en Richtlijnen en het Reglement van Tucht:
- toetsen van de regelgeving aan maatschappelijke en beroepsontwikkelingen en -opvattingen;
- signaleren van hiervoor van belang zijnde ontwikkelingen;
- uitbrengen van adviezen en doen van voorstellen en aanbevelingen aan het Bestuur en andere organen van de Orde;
|
| b. |
het adviseren in een vertrouwensrelatie van de leden van de Orde bij problemen die zij bij de beroepsuitoefening ondervinden en die op enigerlei wijze verband houden met de naleving van de Gedragscode. |
Bevoegdheden
Artikel 3.
De bevoegdheid van de Raad bestaat uit het geven van adviezen en het doen van voorstellen en aanbevelingen aan het Bestuur en andere organen van de Orde, alsmede aan individuele leden in het kader van de functie van de Raad.
Artikel 4.
De bevoegdheid van de Raad omvat mede het doen van aanbevelingen aan het Bestuur betreffende het uitvaardigen van gezaghebbende meningsuitingen.
Artikel 5.
De adviezen, voorstellen en aanbevelingen aan het Bestuur en overige organen van de Orde kunnen gevraagd en ongevraagd worden uitgebracht en wel schriftelijk en met redenen omkleed, waarbij kan worden aangegeven of en zo ja in hoeverre en in welk opzicht afwijkende minderheidsstandpunten aan de orde zijn.
Artikel 6.
De Raad overlegt zonodig met het Bestuur en andere organen van de Orde ten behoeve van de voorbereiding van zijn adviezen, voorstellen of aanbevelingen.
Artikel 7.
De adviezen aan de leden van de Orde worden schriftelijk aan de betrokken leden uitgebracht en zijn met redenen omkleed.
Artikel 8.
De in artikel 7 genoemde adviezen worden alleen desgevraagd gegeven, waarbij ernaar wordt gestreefd deze adviezen binnen uiterlijk drie maanden uit te brengen.
Artikel 9.
De Raad kan de leden die hem om advies hebben gevraagd, horen en met hen in overleg treden.
Geheimhouding
Artikel 10.
De Raad en zijn leden houden tegenover een ieder geheim al hetgeen hen in het kader van de advisering aan leden van de Orde ter kennis is gekomen.
Werkwijze
Artikel 11.
De Raad vergadert zoveel malen als hij nodig acht.
Artikel 12.
De vergaderingen worden uitgeschreven door de secretaris in overleg met de voorzitter.
Artikel 13.
Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen, zijnde de helft plus één bij een quorum van minimaal vijf leden.
Artikel 14.
De Raad kan zich laten bijstaan door derden op wie - in dat geval - artikel 10 van dit Reglement van toepassing is.
Artikel 15.
Van de vergaderingen van de Raad worden notulen samengesteld, welke na goedkeuring door de vergadering worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris.
Artikel 16.
De notulen worden ter kennisneming verzonden aan het Bestuur van de Orde.
Samenstelling en benoeming
Artikel 17.
De leden en de voorzitter van de Raad worden benoemd door het Bestuur van de Orde, al dan niet op voordracht van de Raad.
Artikel 18.
De Raad wijst uit zijn midden de secretaris aan.
Artikel 19.
De Raad hanteert een rooster van aftreding. Tussentijds aftreden is mogelijk op eigen verzoek, danwel op instigatie van het Bestuur van de Orde.
Artikel 20.
Het lidmaatschap van de Raad beloopt vier jaren met een eenmalige mogelijkheid tot herbenoeming voor nog eens vier jaren.