Digitale soevereiniteit staat op de bestuursagenda.

10 september, 2026
Maar hoe maak je het bestuurbaar?
Digitale soevereiniteit heeft de boardroom bereikt, maar de stap van gesprek naar daadwerkelijke bestuurlijke beheersing blijkt groot. Nieuw internationaal onderzoek van het Capgemini Research Institute laat zien dat 93% van de organisaties digitale soevereiniteit inmiddels op bestuursniveau heeft besproken. Slechts 36% heeft het onderwerp echter met specifieke governance op boardniveau verankerd. 
Volwassen discussie
Het onderzoek onder 1.300 bestuurders en technologieleiders laat tegelijkertijd zien dat de discussie volwassen wordt. Volledige technologische onafhankelijkheid is voor 59% geen realistisch doel. Twee derde kiest voor wat Capgemini resilient interdependence noemt: controle houden over kritieke technologie en tegelijkertijd bewust gebruikmaken van strategische partners. 

Voor NOREA is die benadering relevant. Digitale soevereiniteit betekent niet dat iedere technologie Europees moet zijn of dat organisaties alles zelf moeten kunnen. Het gaat om handelingsvrijheid: weten waarvan je afhankelijk bent, bepalen welke afhankelijkheid acceptabel is en kunnen handelen wanneer omstandigheden veranderen.

Daar zit nog een forse kloof. Slechts 14% van de onderzochte organisaties heeft end-to-end inzicht in de afhankelijkheden in het technologie-ecosysteem. Bij 36% zou het langer dan een jaar duren om van een kritieke technologieprovider over te stappen; één op de tien heeft zelfs geen reëel alternatief.
NOREA voorzitter Marc Welters zegt hierover: 
“Digitale soevereiniteit wordt pas een bestuurbaar begrip als een bestuur weet waarvan de organisatie werkelijk afhankelijk is, welke risico’s het daarbij accepteert en welke alternatieven daadwerkelijk beschikbaar zijn op het moment dat het daadwerkelijk nodig is.”
Keuzes horen thuis bij het bestuur
Digitale soevereiniteit is daarmee geen technisch of inkoopvraagstuk dat aan de IT-organisatie kan worden overgelaten. De keuzes raken de continuïteit, strategie en bewegingsvrijheid van de gehele organisatie en horen daarom thuis bij het bestuur en intern toezicht.

Dat is nadrukkelijk geen IT-vraagstuk. In een eerder NOREA-interview benadrukte Barbara Baarsma dat digitale soevereiniteit raakt aan controle over infrastructuur, data, technologie en besluitvorming, en daarmee aan de verantwoordelijkheid van het gehele bestuur. Lees het interview met Barbara over digitale soevereiniteit.
Het debat verschuift van ambitie naar echte keuzes 
Die beweging is inmiddels ook in de markt zichtbaar. Zo ging ABN AMRO in augustus een strategisch partnerschap aan met het Franse AI-bedrijf Mistral. De bank koppelt dit expliciet aan Europese concurrentiekracht, strategische autonomie en digitale weerbaarheid. Ook vanuit overheid en Europa ontstaan steeds concretere kaders voor cloudsoevereiniteit. Het debat verschuift daarmee van ambitie naar echte keuzes over technologie, leveranciers en afhankelijkheden. Lees over het partnerschap ABN AMRO-Mistral.

Juist nu deze keuzes concreter worden, ziet NOREA behoefte aan een praktisch kader waarmee bestuurders de stap kunnen maken van ambitie naar beleid en beheersing. Daarbij gaat het onder meer om de materialiteit van digitale afhankelijkheden, concentratierisico, jurisdictie, portabiliteit, substitueerbaarheid en concrete exit- en fallbackmogelijkheden.

Dat past bij de bredere NOREA-visie: digitale soevereiniteit is een focusgebied voor 2026 en digitale weerbaarheid vraagt om inzicht in de gehele keten, inclusief infrastructuur en leveranciers.
Volgens Do Trinh van de NOREA Taskforce Digitale Autonomie laat dit onderzoek goed zien waar we nu staan: 
“De cijfers laten de kloof zien waar veel bestuurders nu mee worstelen: hoe groot is het risico voor mijn organisatie, wat is mijn handelingsperspectief en hoe veranker ik dat vervolgens in strategie en beleid? We willen bestuurders praktische handvatten geven om afhankelijkheden te beoordelen, prioriteiten te stellen en bewust te bepalen hoeveel autonomie voor hun organisatie nodig en haalbaar is.”
Digitale soevereiniteit wordt een bestuurlijke discipline
Daarbij is een exitplan op papier niet voldoende. Een organisatie weet pas werkelijk hoeveel handelingsvrijheid zij heeft wanneer bijvoorbeeld dataportabiliteit, migratie naar een alternatief of continuïteit zonder een kritieke leverancier ook uitvoerbaar blijken.

Voor bestuurders betekent dit concreet:
  • breng de kritieke digitale afhankelijkheden in kaart, inclusief leveranciers en onderliggende ketens;
  • bepaal welke afhankelijkheden materieel zijn voor continuïteit, strategie en maatschappelijke dienstverlening;
  • stel vast welke afhankelijkheden acceptabel zijn en leg die risicobereidheid expliciet vast;
  • beoordeel of reële alternatieven bestaan en hoe snel daarop kan worden overgeschakeld;
  • test exit-, migratie- en fallbackmogelijkheden in de praktijk;
  • en rapporteer periodiek over de mate waarin deze handelingsvrijheid daadwerkelijk aanwezig blijft.
Digitale soevereiniteit wordt daarmee geen abstract streven naar onafhankelijkheid, maar een bestuurlijke discipline: weten waarvan je afhankelijk bent, bewust kiezen welke afhankelijkheid je accepteert en voorbereid zijn om te handelen wanneer omstandigheden veranderen.

Het Capgemini-onderzoek laat zien dat digitale soevereiniteit breed op de bestuursagenda staat. De volgende stap is die aandacht te vertalen naar concrete governance, aantoonbare beheersing en daadwerkelijk geteste handelingsvrijheid.

Geschreven door
Peter van der Leij
Peter van der Leij
Contentmanager NOREA